INTEGRAL WORLD: EXPLORING THEORIES OF EVERYTHING
Een onafhankelijk forum voor een critische discussie van de integrale filosofie van Ken Wilber



powered by TinyLetter
Today is:
Publicatie data van essays (maand / jaar) zijn te vinden onder "Essays".

Is Ken Wilber
de weg kwijt?

De moeizame zoektocht
naar een open Wilber debat

Frank Visser

Al met al ontstaat hier het beeld van een in zijn trots gekrenkte, narcistische man, die geen kritiek kan verdragen.

Ken Wilber heeft nooit een ontspannen verhouding tot zijn critici gehad. Sterker nog, veel “debatten” met hen hebben het karakter van een intellectueel kooigevecht. Met een voorliefde voor krachtig taalgebruik en overdrijving probeert Wilber de zaak meestal in zijn voordeel te beslissen. Critici begrijpen hem gewoon niet, geven zijn standpunten verkeerd weer, en kunnen maar beter worden genegeerd. Onlangs richtte Wilber zich echter toch tot hen, in een blog op zijn pas gelanceerde website www.kenwilber.com, waarbij hij zich van zijn duistere kant liet zien. In ongemeen felle en grove taal veegt hij de vloer aan met zijn critici.

De aanleiding tot deze uitbarsting is gelegen in het bestaan van een website die ik al 10 jaar onderhoud, www.integralworld.net (het vroegere www.worldofkenwilber.com), en een blog die ik daarop onlangs was gestart (wilberwatch.blogspot.com). Aanvankelijk was deze site een pure fansite. In de eerste jaren van zijn bestaan verleende het aan Ken Wilber “web presence”: het bevatte een overzicht van zijn werk, toonde boekomslagen, gaf samenvattingen van de inhoud ervan, en somde alle buitenlandse vertalingen op, waarvan er inmiddels meer dan honderd zijn. Later kwamen ook korte beschouwingen over kernthema's van Wilbers denken op de site te staan. Dit alles vanuit het oogpunt van service aan de lezer.

Het Wilber debat

Zo rond het jaar 2000 begon ik met het publiceren van langere essays over het werk van Wilber. Ik vond niet dat het promotionele karakter van de site de overhand moest krijgen. Mij leek het wel tijd geworden eens kritisch te kijken naar wat Wilber in de afgelopen decennia had geschreven. Auteurs van het eerste uur waren Mark Edwards , Ray Harris en Andrew Smith . Alledrie zijn ze anno 2006 nog steeds produktief. Zo heeft Edwards inmiddels 27 essays geschreven voor Integral World, Ray Harris 26, en Andy Smith eveneens 26. Dat zijn soms behoorlijk lange studies, van tegen de dertig pagina's. Alleen al in de laatste zes maanden zijn aan deze site meer dan 70 essays toegevoegd. Dat zeg ik alleen maar om aan te geven dat het op dit moment het belangrijkste forum is op internet voor het debat over Ken Wilber.

De houding van Wilber ten opzichte van deze essays is altijd tamelijk koel geweest, zo niet ijzig. Aanvankelijk reageerde hij nog wel eens met beleefde, maar vaak ook nietszeggende reakties, in de trant van “interessant, maar ik heb geen tijd om hierop te reageren”. Off the record was zijn oordeel vaak veel minder positief. Het was allemaal beneden peil in zijn ogen, kreeg ik de indruk, en hij besteedde zijn tijd liever aan het uitwerken van zijn eigen denkbeelden. Nu kun je natuurlijk zeggen: laat die man met rust, hij schrijft en schreef prachtige boeken, waar niemand anders aan kan tippen. Maar zo zit ik niet in elkaar. Hoe meeslepend Wilber ook kan schrijven over psychologie en spiritualiteit, dit kan slechts het begin zijn van een Wilber debat, waarbij specialisten uit de diverse wetenschapsgebieden zich over zijn werk gaan buigen. Dat laatste is tot op heden echter nog niet gebeurd. Bij afwezigheid van een echt academisch Wilber debat zijn wij dus aangewezen op het werk van “amateurs”. Dat zijn overigens vaak mensen die Wilbers werk diepgaand hebben bestudeerd.

Door de jaren heen merkte ik echter een zekere verstarring bij Wilber als het gaat om reakties op zijn werk. Zijn houding werd vijandiger en neerbuigender. In maart 2004 vroeg hij me naar aanleiding van een essay van Mark Edwards – die nota bene van alle critici het dichtst bij Wilber staat – om een verklaring te publiceren getiteld “ A Suggestion for Reading the Criticisms of My Work on Frank Visser's 'World of Ken Wilber' Site ”. De strekking daarvan was, dat de “critici” meestal de plank behoorlijk missloegen, dat geen van hen in direct contact met Wilber stonden, en dat de kans daarom groot is dat zij zijn visie verkeerd hebben begrepen. Hij stelde daarop voor een onderscheid te maken tussen datgene wat critici over Wilbers werk beweren (dat is meestal fout) en datgene wat ze zelf naar voren brengen (dat is meestal interessant en waardevol).

Op deze verklaring kwam natuurlijk reactie van de critici. Zo bracht Ray Harris naar voren dat het tot de essentie van het publiceren van boeken behoort dat je je denkbeelden blootstelt aan het publieke debat. En heeft Wilber ooit in direct contact gestaan met de vele honderden auteurs die hij in zijn werken vrijelijk heeft bekritiseerd? Natuurlijk niet – een duidelijk voorbeeld van meten met twee maten.

Ik herinner me nog hoe ik ooit een ontmoeting probeerde te arrangeren tussen Wilber en Jürgen Habermas, een Duits filosoof en sociaal-wetenschapper die door Wilber meerdere malen “de grootste levende filosoof” is genoemd, maar dat had volgens Wilber geen zin, want “hij wist toch al precies wat Habermas vond”. Wie zegt ons nu dat Wilber Habermas juist heeft begrepen? (Heeft iemand Habermas eigenlijk wel begrepen – maar dat is een ander verhaal). Veel belangrijker dan dit soort ontmoetingen tussen coryfeeën is de vraag: welke Habermas kenner kan de diverse uitspraken van Wilber over Habermas naar waarde schatten? Is dit ooit gebeurd? (Hetzelfde geldt natuurlijk voor all andere kopstukken die Wilber aanhaalt: Jung, Sri Aurobindo, Foucault, Derrida, Taylor, om nog maar te zwijgen van Oosterse filosofen).

Wat we in feite in het geval van Wilber hebben is iemand die in volstrekte autonomie uitspraken kan doen over tal van auteurs uit heden en verleden, zich daarbij baserend op hun gepubliceerde werk, zonder dat hij zich gebonden voelt door de mening van derden. Hij onttrekt zich daarbij aan het wetenschappelijke spel, en neemt de rol aan van een ziener die de waarheid schouwt, maar die zich niet hoeft te vemoeien met de reacties van gewone stervelingen.

Mark Edwards toonde begrip voor Wilbers bezorgdheid dat lezers niet altijd de kritische essays die op Integral World zijn gepubliceerd naar waarde kunnen schatten. Maar om nou te zeggen dat ze zijn denkbeelden verdraaien gaat te ver. Het behoort tot de essentie van kritiek dat deze onafhankelijk kan zijn. Eisen dat een criticus in direct contact met Wilber moet staan is opnieuw een herschrijving van de regels van het intellectuele debat. Wat betreft Wilber's suggestie om een onderscheid te maken tussen wat critici op Wilber hebben aan te merken en dat wat ze zelf te melden hebben, merkt Edwards terecht op dat deze scheiding gewoonweg onmogelijk is. Critici komen vaak juist tot hun eigen inzichten na een grondige kritiek van de auteur die ze bestudeerd hebben. Zo gaat het altijd in de wereld van filosofie en wetenschap, en zo zal het altijd gaan.

Zowel Harris als Edwards merken bovendien terecht op dat Wilber wel kan roepen dat critici zijn werk steeds verkeerd weergeven, maar dat hij daar in hun geval (het gaat hier om 50 essays!) nooit enig bewijs voor heeft geleverd. Sterker nog, het weinige dat Wilber in zijn eerder genoemde verklaring over de waardeloosheid van Edwards' essay had opgemerkt, wordt door Edwards deskundig weerlegd. Het zou het begin kunnen zijn van een interessante discussie, maar dat is duidelijk niet iets waar Wilber op uit is. Wij moeten het doen met de verzekering dat hij zelf in direct contact staat met een grote groep wetenschappers, die hem voortdurend aan de tand voelen en hem niet sparen in hun kritiek. Het blijft dan wel vreemd dat van deze interne discussies nooit resultaten worden gepubliceerd. Ook hier miskent Wilber het gegeven dat wetenschap en filosofie uitdrukkelijk publieke aktiviteiten zijn.

Wie bepaalt wat Wilber betekent?

Te midden van deze consternatie mengde de mij onbekende auteur Edward Berge zich in de discussie met zijn artikel “ Who Decides What Wilber Means? ”. Hij stelde daarin, heel taktisch gebruik makend van wat Wilber zelf ooit over literaire kritiek had geschreven, dat auteurs niet altijd de meest geschikte personen zijn om hun werk te beoordelen. Natuurlijk is het goed om kennis te nemen van wat een auteur zelf over zijn eigen werk te melden heeft, maar er zijn veel meer facetten aan het probleem van de interpretatie.

Zo kan een auteur bijvoorbeeld een blinde vlek hebben, waar juist zijn critici hem op kunnen wijzen. Hij heeft misschien onbewuste motieven bij het schrijven van zijn werk, die voor hemzelf niet evident zijn. Ook is het van belang goed te letten op hoe dit werk wordt ontvangen door anderen. Ook zij scheppen voor een deel “de” betekenis ervan. Veel van de essays op Integral World hebben dit karakter van een poging tot correctie van een waargenomen eenzijdigheid in Wilbers werk, zij het op politiek of spiritueel gebied. Hij citeert Wilber met instemming waar deze zegt dat een integrale interpretatie altijd zoveel mogelijk verschillende contexten in beschouwing moet nemen, niet alleen die van “de bedoelingen van de auteur zelf”. Sterker nog:

“… iedere context verschaft een andere betekenis aan het werk… elk daarvan is waar binnen zijn eigen context… [Het probleem ontstaat als een theorie] zijn eigen context ziet als de enige die een serieuze beschouwing waard is.” ( The Eye of Spirit, p. 112, 113).

Is dat nu niet precies wat Wilber probeert te doen? Zijn eigen context als de enig juiste zien? In een reactie op Berge krabbelt Wilber een beetje terug, door te zeggen dat hij er alleen maar op heeft willen wijzen dat hij zelf het beste weet wat hij zelf vindt van zijn eigen werk. Maar dat anderen vrij zijn om zijn werk vanuit hun eigen invalshoeken te benaderen. Je zou zeggen: vrij baan voor de onafhankelijke bestudering van Wilbers oeuvre. Het liep allemaal een beetje met een sisser af. (Maar het gebeuren had overigens niet tot gevolg dat Wilber zich aktief met zijn critici ging bezighouden. Zijn houding was eigenlijk: laat iedereen maar doen wat hij wil, dan doe ik dat ook. Weinig wetenschappers of filosofen zullen hem dat nazeggen).

De kritiek barst los

Inmiddels had een andere onbekende auteur, Jeff Meyerhoff, een samenvattend overzicht aangeboden aan Integral World, onder de prikkelende titel “ Bald Ambition ” (een woordspeling op de titel van een film “Bold Ambtion”, maar natuurlijk ook een verwijzing naar Wilbers uiterlijk). Meyerhof was na de publicatie van Wilbers Collected Works begonnen met een minitieuze studie van zijn hoofdwerk Sex, Ecology, Spirituality uit 1995, en was tot de slotsom gekomen dat Wilber weliswaar een meeslepend boek had geschreven, maar dat daar filosofisch gezien nogal wat op valt af te dingen. In het voorwoord van dit boek merkt Wilber overigens ook op dat dit boek eigenlijk duizend hypothesen bevat, maar dat hij het ter wille van de leesbaarheid geschreven heeft als een doorlopend verhaal. Waarop Meyerhoff terecht opmerkt: je krijgt daarmee wel een beter verhaal, maar je komt in de problemen met je wetenschappelijkheid.

Meyerhoff betoogt in zijn boek, dat inmiddels in afleveringen op Integral World is gepubliceerd, dat Wilber niet, zoals hij het zelf voorstelt, alle wetenschappelijk feiten heeft samengevoegd tot één grote Theorie over Alles, maar dat hij bij de keuze van die feiten al tamelijk selectief te werk is gegaan. Hij heeft als het ware bij voorbaat al een Verhaal te vertellen, en zoekt ter ondersteuning daarvan de feiten bij elkaar die hem goed uitkomen. Daarbij bezondigt Wilber zich nogal al eens aan overdrijving, zoals meerdere critici hebben opgemerkt. Met name overdrijft hij de mate waarin “de” wetenschap steun biedt aan zijn denkbeelden, bijvoorbeeld op het gebied van de ontwikkelingspsychologie of de culturele studies. Meyerhoff komt uit de hoek van het postmodernisme, en daarin is het gebruikelijk om teksten niet alleen te lezen op wat ze zeggen, maar ook op wat ze niet zeggen, weglaten. Hij wijst erop dat Wilber nogal eens in herhaling valt, en vraagt zich af wat de psychologische reden is dat Wilber dat zo vaak doet. Probeert hij zijn punt te scoren tegen een imaginaire tegenstander, terwijl hij onbewust wel aanvoelt dat hem dit niet lukt? Als voorbeeld wijst Meyerhoff op het filosofische probleem van het relativisme – d.w.z. de onmogelijkheid om een voor ieder aanvaardbaar systeem van waarden of waarheden op te stellen – en hekelt de gemakkelijke manier waarom Wilber vaak “de” relativisten (zonder deze met name te noemen of ook maar te citeren) in de hoek probeert weg te zetten.

Een tweede criticus, die zich de laatste tijd sterk op internet heeft manifesteerd als de plaaggeest van Wilber, is Geoffrey Falk, die ooit een echte alternatieveling was, werkte in een natuurvoedingszaak en lid was van de Self Realization Fellowship. Hij was ook een bewonderaar van Wilbers werk, maar is daarvan terug gekomen nadat hij steeds meer onjuistheden daarin tegenkwam. Onlangs publiceerde hij het ebook “ Norman Einstein ”, dat een 200 pagina's lange opsomming is van tekortkomingen in Wilbers werk en karakter. (Deze titel verwijst naar een uitspraak van een honkballer, die ooit opmerkte dat er op het gebied van de sport geen genieën bestaan zoals “Norman Einstein”. Wilber wordt vaak de “Einstein van het bewustzijnsonderzoek” genoemd, maar volgens Falk is hij dat bepaald niet). Falk heeft zich niet bezig gehouden met Wilbers psychologische of spirituele theorieën, maar richt zich op de terreinen die hij zelf goed kent, die van de biologie, de parapsychologie, de fysica en de zogenaamde cult studies (waarbij hij zoals gezegd ervarings deskundige is). Maar gezien de vele fouten die hij op die terreinen bij Wilber aantrof, raadt hij de lezer aan waar het de psychologie betreft Wilber met een zeer fijne stofkam te lezen.

Als het al gebruikelijk is om sympathiserende critici te negeren, dan zal het duidelijk zijn dat alleen al het uitspreken van de namen Meyerhoff en Falk neerkomt op vloeken in de Integrale Kerk! Toch verschaffen deze auteurs mijns inziens zoveel nieuwe gezichtspunten, juist ook als tegenwicht tegen een steeds meer op promotie en commercie gerichte integrale beweging, dat het voor het publieke Wilber debat een absolute noodzaak is kennis van hen te nemen.

Wilber goes Wild West

Toen mij ter ore kwam dat Wilber zou gaan reageren op zijn recente critici, dacht ik enigszins naïef dat hij zijn gebruikelijk hooghartigheid zou laten varen, maar ik kwam bedrogen uit. Op zijn persoonlijke blog publiceerde hij begin juni het artikel “ What We Are, That We See ”. Hierin trok hij van leer tegen die domme critici die hem steeds maar lastig vielen, en zag hij zich gedwongen “terug te schieten”, ongeveer zoals Wyatt Earp, een personage uit het Wilde Westen, afrekende met bandieten (in dit artikel vereenzelvigt Wilber zich dan ook met Earp). Het moest nou maar eens voor eens en voor altijd afgelopen zijn. Kernpunt van zijn betoog was echter, dat kritiek die van een “lager” stadium of niveau afkomstig is – in de kleurentaal van Spiral Dynamics: groen, oranje, blauw, etc. – nooit bij machte was “hogere” inzichten te weerleggen (die dan geel of turquoise heten). Sterker nog, deze denkbeelden zijn waar noch onwaar, maar gewoon onzinnig.

Ditmaal laat Wilber zich volledig gaan – en kennen. Razend en tierend gaat hij tekeer tegen de domme critici, die in zijn beleving zo langzaam zijn dat hij zijn uiterste best moet doen om ze nog te kunnen volgen. Critici zijn in zijn ogen een soort pathetische zwakbegaafden, die zijn achtergebleven in hun ontwikkeling, alleen erop uit zijn om zichzelf te promoten, niemand ooit citeren, vlooien die je van je rug kunt wegslaan…. Je vraagt je in gemoede af waar al deze minachting op stoelt.

Misschien het meest beruchte citaat uit deze tirade is het directe gevolg van een van mijn eigen blog postings, waarin ik de kwestie opwierp dat Wilber nogal te pas en te onpas het woord “simply” in de mond neemt, daarmee suggererend dat ingewikkelde kwesties eigenlijk heel simpel zijn – of “simplistisch”?, zo had ik er uitdagend aan toegevoegd. In feite was dit dus een vorm van feedback over de stijl van schrijven die Wilber zich eigen heeft gemaakt, de retoriek waarmee hij zijn lezers probeert te overtuigen van zijn gelijk.

Hier is Wilbers reactie:

“It's gotten to the point that one critic cringes when I simply use the word “simply” (as in the previous paragraph), because it means something horrible is going to follow. In this case, true—the horrible thing that followed was this critic's charge. But simply still, I simply cannot stand this simple criticism of simply anything, let alone “simply,” so simply suck my dick, whaddaya say?”

Tja. Zo kun je alle subtiliteiten van tafel vegen en met authoritair gebral je gelijk proberen te halen – in de veilige besloten kring van je eigen volgelingen. Maar wat bleek een paar dagen later? Het was allemaal maar een “test” geweest, om uit te maken wie zo ver ontwikkeld was dat ze dit konden doorzien, en wie dat niveau niet bezat zondat hij of zij erin was gestonken. En het werd allemaal nog fraaier. Wilber spiegelde zijn volgelingen een veilige “integrale haven” voor, waar ze zich konden terugtrekken, ver weg van de meutes en hordes buiten de muren. Dat wilden ze toch wel? Alle poetische registers opentrekkend onderscheidde Wilber zich hierbij niet van de eerste de beste sekteleider. Ken Wilber is in de guru trap gevallen.

Boven alle kritiek verheven

Het is op dit punt dat veel mensen, die aanvankelijk de kant van Wilber kozen, en zelfs sympathie konden opbrengen voor zijn eerste uitval, afhaakten. Het was dus achteraf bezien geen emotionele uitbarsting van Wilber geweest, maar een vooropgezet plan, een strategie, om de schapen van de bokken te scheiden. Het cultische karakter van dit hele gebeuren werd nog eens duidelijker onderstreept toen Wilber, weer op zijn blog, emails ging publiceren van mensen die het allemaal maar prachtig hadden gevonden – zij hadden het wel gesnapt! Het is werkelijk genant om te zien, hoe Wilber hier de wereld wil laten zien, dat er ook mensen zijn die hem wel begrijpen – lees: het juiste “niveau” hebben. De moraal van het hele verhaal ligt volgens Wilber in de constatering dat veel critici van alles en nog wat op hem projecteren wat eigenlijk voortkomt uit hun eigen schaduw. De daaropvolgende blog postings bestonden daarom uit hoofdstukken uit ouder werk, waarin de thematiek van de schaduw werd behandeld (o.a. uit The Spectrum of Consciousness ). En daarmee lijkt de kous af te zijn.

Ik heb op Integral World tot driemaal toe op Wilbers blogs gereageerd – zie “ Games Pandits Play ”, “ Not So Fast, Cowboy! ” en “ For The Record ” -- , en zal daar hier niet over uitweiden, zij het dan dat ik in een van die reakties een (laatste?) poging heb gedaan het debat een inhoudelijke wending te geven. Op zijn kenwilber.com website trof ik een tekst aan van een anonieme auteur getiteld: “Ken Responds to Recent Critics: Mark Edwards, Jeff Meyerhoff and others", dat als strekking had dat Edwards een voorbeeld was van “goede kritiek” en Meyerhoff van “slechte kritiek” – die dientengevolge kon worden genegeerd. In deze tekst kwam ook een hyperlink voor naar een geluidsfragment van een gesprek van Wilber met enkele van zijn studenten. De helft van deze tape ging over het onderwerp evolutie; de andere helft bestond uit een zeer haastige en stellige weerlegging van Meyerhoffs werk.

Het onderwerp evolutie vormt mijns inziens een geschikt want tamelijk neutraal onderwerp dat zich leent voor een discussie over de waarde van Wilbers inzichten in relatie tot de gewone wetenschap. Want wie zijn hoofdwerk ( Sex, Ecology, Spirituality ) de ondertitel meegeeft “The Spirit of Evolution”, die zal zich eerst terdege rekenschap moeten geven van wat de wetenschap over evolutie zegt, om door dat forum nog serieus genomen te worden. Over biologische evolutie heeft Wilber heeft in A Brief History of Everything de inmiddels beruchte uitspraak gedaan, dat de biologische evolutie puur op basis van toeval en mutaties niet zoiets als de vleugel van een vogel kan hebben voortgebracht, omdat je dan eerst een “halve vleugel” krijgt, en die heeft geen overlevingswaarde. Zoals het Wilber het op de hem eigen wijze uitdrukte:

"The standard, glib, neo-Darwinian explanation of natural selection – absolutely nobody believes this anymore… In other words, with a half-wing you are dinner.”

In latere edities van A Brief History of Everything is dit allemaal wat afgezwakt, maar dit kan niet verhullen dat Wilber geen melding maakt van biologen, en dat zijn niet de minsten, die van zoiets als de evolutie van de vogelvleugel uit primitievere vormen een heel adekwate verklaring kunnen geven. De overdrijving, de gechargeerde voorstelling van zaken, de half-humoristische afleidingsmanoevres -- ze typeren een stijl van schrijven die mij vroeger erg aansprak, maar die mij nu eerder tegen staat. De argumentatie lijkt overigens sterk op die in kringen van de Intelligent Design tegenwoordig worden gebruikt, een wereld die door de wetenschap scherp is bekritiseerd, maar waar Wilber zich nooit overtuigend heeft gedistancieerd. Je zou wensen dat hij zijn intellectuele gaven gebruikt om helderheid te brengen in deze wetenschappelijke debatten -- die in Nederland zelfs een keer Buitenhof hebben gehaald!

Op het discussieforum van Integral World trof ik een posting aan van Jim Chamberlain, die in zijn bijdrage " Wilber on Evolution " haarfijn uit de doeken deed hoe Wilber met al zijn bravoure de huidige wetenschappelijke visie op evolutie verdraaid weergaf. Opnieuw, het zou het begin kunnen zijn van een inhoudelijk debat, maar dat lijkt het laatste waar Wilber in geinteresseerd is. Chamberlain had helaas een citaat van een vooraanstaand bioloog verkeerd geciteerd, en daarop ontstak Wilber weer in grote woede, in zijn laatste posting uit deze affaire, “Take the Visser Site as Alternatives to KW, But Never as the Views of KW”. Hij zegt daarin letterlijk:

So take the Visser site as a wild and wonderful and sleazy and wacky world of alternatives to Ken Wilber, but as for Ken Wilber's actual views, categorically do not accept anything you see.

Al met al ontstaat hier het beeld van een in zijn trots gekrenkte, narcistische man, die geen kritiek kan verdragen, maar die zich, bij het uitblijven van erkenning door de reguliere filosofie en wetenschap, koestert in de bewondering van volgelingen. Nu de gewone wetenschap hem links laat liggen, richt hij maar zijn eigen (online) Integrale Universiteit op. Dat lijkt me het recept voor een wetenschappelijk fiasco. Wilber verdient het in grotere kring besproken te worden – zo besloot ik mijn Ken Wilber: Denken als Passie en dat vind ik eigenlijk nog steeds. Zeker. Maar zijn werk moet gezien worden als het begin van een discussie, niet als het einde ervan.

Panta, nr. 43, najaar 2006.